ADHD en rijgeschiktheid

Geplaatst op: 12 August 2025

Indien bij u ADHD is vastgesteld, kan het CBR onder omstandigheden bepalen dat u niet langer geschikt bent om motorrijtuigen te besturen. Of in uw geval daartoe ook redenen bestaan, is mede afhankelijk van het oordeel van een specialistisch arts die door het CBR wordt ingeschakeld. De beoordeling vindt onder andere plaats aan de hand van de volgende criteria uit de bijlage bij de Regeling eisen rijgeschiktheid 2000.

ADHD (inclusief subtypen)

Het onderzoek naar de geschiktheid moet plaatsvinden door een specialist met kennis en ervaring op het gebied van ADHD bij volwassenen aan de hand van een checklist met risicofactoren (het CBR is in bezit van een dergelijke checklist).

Rijbewijzen van groep 1 (paragraaf 8.10.1 Regeling)

Geschiktverklaring voor de rijbewijzen van groep 1 voor een beperkte termijn is mogelijk indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

indien sprake is van risicofactoren zoals angststoornissen, depressieve stoornissen of persoonlijkheidstoornissen, dan dient te zijn gebleken dat deze voldoende onder controle zijn en als daarbij rijgevaarlijke medicatie wordt gebruikt gelden tevens de desbetreffende paragrafen van hoofdstuk 10, waaronder “10.3. Geneesmiddelen bij stemmingstoornissen”:

“Personen die antidepressiva gebruiken met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid (categorie III) zijn ongeschikt tenzij de antidepressiva ten minste gedurende een periode van 36 maanden zonder onderbreking in gelijkblijvende dosering zijn gebruikt en de persoon een rijtest in de vorm van een specialistisch universitair onderzoek in een rijsimulator positief heeft doorstaan. Het CBR heeft daarvoor een protocol. De maximale geschiktheidstermijn bedraagt vijf jaar.
Personen die – in een therapeutische dosis – antidepressiva gebruiken die geen tot matig negatieve invloed hebben op de rijvaardigheid (categorie I en II), kunnen geschikt worden verklaard. Voor middelen uit categorie II geldt dat er een week na de start van de behandeling ongeschiktheid is.
Personen die lithiumzouten gebruiken, met een licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie II), kunnen geschikt worden verklaard. Na de start van de behandeling is er een week ongeschiktheid.”

  • er mag geen sprake zijn van misbruik van psychoactieve middelen, zoals alcohol of drugs. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt, zie paragraaf 8.8 van de bijlage;
  • er moet sprake zijn van ziekte-inzicht en therapietrouw;
  • er mag geen sprake zijn van rijgevaarlijke bijwerkingen van de medicatie.

Als het CBR voor een juiste oordeelsvorming een rijtest nodig acht, kan het een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR) inschakelen. Dit is in ieder geval aan de orde bij de eerste aanvraag van een rijbewijs. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol. De geschiktheidstermijn is maximaal drie jaar.

Rijbewijzen van groep 2 (paragraaf 8.10.2 Regeling)

Geschiktverklaring voor de rijbewijzen van groep 2 voor een beperkte termijn is mogelijk indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • er is geen sprake van risicofactoren zoals angststoornissen, depressieve stoornissen, misbruik van psychoactieve middelen of persoonlijkheidsstoornissen;
  • er moet sprake zijn van ziekte-inzicht en therapietrouw;
  • er mag geen sprake zijn van rijgevaarlijke bijwerkingen van de medicatie.

Als het CBR voor een juiste oordeelsvorming een rijtest nodig acht, kan het een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR) inschakelen. Dit is in ieder geval aan de orde bij de eerste aanvraag van een rijbewijs. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol. De geschiktheidstermijn is maximaal één jaar.

Gebruik geneesmiddelen – Antihypertensiva (paragraaf 10.10 Regeling)

Antihypertensiva hebben in een therapeutische dosis geen negatieve invloed op de rijvaardigheid. Centraal aangrijpende antihypertensiva, zoals methyldopa en clonidine, kunnen sedatie geven en de rijvaardigheid negatief beïnvloeden.

Advies Gezondheidsraad

De gezondheidsraad heeft advies uitgebracht aan de Minister voor aanpassing en herziening van de normen in de Regeling eisen geschiktheid 2000.

Het advies heeft betrekking op de rijgeschiktheid voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer van personen die vanwege ADHD behandeld worden met methylfenidaat (merknaam: Ritalin). Het betreft een voorstel tot wijziging van de huidige regelgeving, alsmede een voorstel tot het doen verrichten van nader wetenschappelijk onderzoek naar de gevolgen van behandeling met methylfenidaat voor de rijvaardigheid.
Hierbij heeft de Commissie allereerst vastgesteld dat er onvoldoende data voorhanden zijn om een wetenschappelijk gefundeerd definitief voorstel te doen. Aan wetenschappelijk onderzoek dat deze hiaten kan opvullen, wordt gewerkt en het resultaat hiervan kan binnen enkele jaren beschikbaar zijn. Gezien de omvang van het probleem en de rigiditeit van de huidige regeling heeft de Commissie gemeend desondanks nu reeds een voorstel te moeten doen op basis van de huidige stand van de wetenschap.

Bij het formuleren van het voorstel tot wijziging van de regelgeving is naast de validiteit van de diagnose van ADHD bij volwassenen rekening gehouden met het optreden van comorbiditeit.Eveneens is aandacht besteed aan mogelijk optredende bijwerkingen van het middel. Het voorstel leidt ertoe dat de huidige verbodsbepaling voor rijgeschiktheid bij behandeling met psycho-stimulantia als methylfenidaat meer genuanceerd wordt, zodat deelname aan het gemotoriseerd verkeer voor personen die vanwege ADHD behandeld worden met hylfenidaat onder bepaalde voorwaarden mogelijk wordt.

Voorts wordt voorgesteld de regelgeving in evenwicht te brengen door naast de bepaling aangaande de medicatie in de Regeling eisen geschiktheid 2000 ook een bepaling op te nemen ten aanzien van de aandoening ADHD zelf.

Advies Gezondheidsraad ADHD en rijgeschiktheid

Deel Deze Pagina

Bezwaar en beroep hebben geen opschortende werking

Geplaatst op: 12 August 2025

Het is belangrijk voor u om te weten dat het indienen van een bezwaar- of beroepschrift geen opschortende werking heeft. U blijft dus verplicht om de kosten van de maatregel te betalen, of op tijd hiervoor een betalingsregeling aan te vragen bij het CBR. Ook blijft u verplicht om mee te werken aan de maatregel of het opgelegde onderzoek. Wanneer u niet (tijdig) betaalt, of niet meewerkt, wordt uw rijbewijs ongeldig verklaard.

U kunt wel aan het CBR vragen om de werking van het besluit zolang op te schorten. U dient hier schriftelijk om te vragen. Weigert het CBR dit, dan kunt u een verzoekschrift indienen bij de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht van de rechtbank in uw arrondissement om de werking van het besluit zolang op te schorten.

Wij adviseren u echter dit niet zelf te doen, maar een gespecialiseerde advocaat te raadplegen die u in deze zaken bijstaat.

Deel Deze Pagina

Niet betalen kosten maatregel CBR leidt tot ongeldig verklaring van het rijbewijs

Geplaatst op: 12 August 2025

Wanneer het CBR een bepaalde maatregel oplegt, bent u verplicht de daaraan verbonden kosten te betalen. Zelfs wanneer u bezwaar en beroep instelt tegen de maatregel van het CBR, bent u gehouden om de binnen de door het CBR aangegeven termijn te betalen.
Alleen wanneer het CBR op een uitdrukkelijk daartoe gedaan verzoek besluit om opschortende werking te verlenen aan het besluit, bent u vrijgesteld van die verplichting gedurende de door het CBR aangegeven termijn. U moet dus zelf hierom vragen bij het CBR.
Wanneer u niet tijdig de kosten betaalt, wordt uw rijbewijs ongeldig verklaard. Er bestaat geen ruimte voor een belangenafweging. De jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is hier duidelijk over:

“Niet in geschil is dat [appellant] de kosten voor het onderzoek naar de geschiktheid niet heeft betaald. Gelet op het imperatieve karakter van artikel 132, tweede lid, van de Wvw is het CBR in een dergelijk geval verplicht het rijbewijs ongeldig verklaren en bestaat bij het nemen van dat besluit voor het CBR geen ruimte om de persoonlijke omstandigheden van [appellant], waaronder het gestelde belang dat hij heeft bij het bezit van zijn rijbewijs, te laten meewegen. De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat het CBR geen ruimte heeft voor een belangenafweging” (LJN: BN9540, Raad van State, 6 oktober 2010).

Wanneer u de opgelegde kosten niet direct kunt betalen, dient u binnen drie weken na dagtekening van de beslissing van het CBR om een betalingsregeling te vragen. Het verzoek dat u daartoe indient, dient goed gemotiveerd te zijn. U kunt ervoor kiezen om een verklaring inkomsten en uitgaven te gebruiken, die u hier gratis kunt downloaden. Waar mogelijk kunt u als bijlagen bij die verklaringen enkele bewijsstukken meesturen waaruit genoegzaam uw slechte financiele situatie volgt.

Deel Deze Pagina

Eenmalig spookrijden is onvoldoende grond voor onderzoek rijvaardigheid of EMG

Geplaatst op: 12 August 2025

De rechtbank Leeuwarden heeft in kort geding geoordeeld dat eenmalig spookrijden onvoldoende grond is voor het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG). Het komt nog wel eens voor dat het CBR na spookrijden toch een maatregel probeert op te leggen.

Wettelijk kader

Het is goed om eerst het huidige wettelijk kader te bekijken. Opgemerkt wordt dat deze afwijkt van de destijds geldende regeling, maar het verschil beperkt zich hoofdzakelijk tot de nummering van de verschillende artikelen.

Ingevolge artikel 6 jo 5 sub d van de Regeling rijvaardigheid en geschiktheid 2011 dient het CBR bij spookrijden de geldigheid van het reeds door de politie ingevorderde rijbewijs dient te schorsen.

Ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Regeling besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdeel d, niet in aanmerking komt voor een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer.

Ingevolge artikel 23, derde lid, aanhef en onder a en b van de Regeling besluit het CBR – voor zover hier van belang – dat betrokkene zich aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of naar de geschiktheid dient te onderwerpen in geval van feiten of omstandigheden, als vermeld in de bij de Regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, alsmede indien betrokkene op grond van artikel 10b, tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt voor een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder a van de Regeling besluit het CBR tot oplegging van een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer
“indien betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.”

In bijlage 1, worden onder A. Rijvaardigheid en rijgedrag, voor zover thans van belang, vermeld:
II Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer
Niet adequaat kijkgedrag.
Hanteren van een verkeerde kijktechniek en een slecht kijkgedrag al of niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet, zich onder meer manifesterend bij het:
e. invoegen en het uitvoegen.
III Rijgedrag
4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens terzake van:
a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden.

Uitspraak rechtbank

Toch heeft de rechtbank bepaald dat het CBR ten onrechte het rijbewijs ongeldig had verklaard van een bestuurder die zich schuldig had gemaakt aan spookrijden. De voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden overweegt echter als volgt (LJN: BJ8020,Voorzieningenrechter Rechtbank Leeuwarden, 15 september 2009).

“3.1 Tussen partijen is niet in geschil dat [X] zich op 3 mei 2009 heeft schuldig gemaakt aan verkeersgedrag dat kan worden gekwalificeerd als spookrijden.

3.2 Gelet op het bepaalde in artikel 6, derde lid, sub a, van de Regeling, in samenhang gelezen met bijlage 1, onder a, onderdeel III Rijgedrag, is het CBR niet bevoegd ingeval van dergelijk rijgedrag een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid op te leggen. Ingevolge artikel 10b, eerste lid, van de Regeling bestaat evenmin de bevoegdheid om in het onderhavige geval een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) op te leggen, nu [X] niet herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in bijlage 1, onder A, onderdeel III Rijgedrag.

3.3 Het CBR heeft aan het besluit dat [X] zich moet onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid ten grondslag gelegd dat het verkeersgedrag van [X] van 3 mei 2009 eveneens kan worden gekwalificeerd als “niet adequaat kijkgedrag” als genoemd in bijlage 1, onderdeel A, onder II, van de Regeling, zodat zij op grond van artikel 6, derde lid, onder a, van de Regeling (alsnog) in aanmerking komt voor een onderzoek naar de rijvaardigheid. Uit de verklaring van [X] dat zij pas had bemerkt dat zij had spookgereden toen haar dit door de politie werd verteld en dat zij niet wist hoe zij op de verkeerde rijbaan terecht was gekomen, kan namelijk volgens het CBR worden afgeleid dat [X] zich schuldig heeft gemaakt aan niet adequaat kijkgedrag zowel bij het invoegen op de snelweg als bij het naderen van de oprit waar zij weer had kunnen invoegen. Voorts heeft [X], nu zij heeft verklaard dat zij niet heeft gezien dat er naar haar is geseind, in een gevaarlijke situatie niet, althans onvoldoende, op het overige verkeer gelet, aldus het CBR.

3.4 De voorzieningenrechter stelt voorop dat de conclusie dat sprake is van “niet adequaat kijkgedrag” als bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, onder II, sub e, van de Regeling – gelet op de door het CBR overgelegde gedingstukken – niet, althans onvoldoende wordt gedragen door de in die stukken neergelegde gegevens. Onder niet adequaat kijkgedrag in voormelde zin wordt begrepen het hanteren van een verkeerde kijktechniek en een slecht kijkgedrag al of niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet, zich onder meer manifesterend bij het invoegen en het uitvoegen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het enkele feit dat [X] tijdens het spookrijden niet heeft onderkend dat zij aan het spookrijden was en niet heeft gereageerd op een seinende tegenligger op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van niet adequaat kijkgedrag als hiervoor bedoeld.

3.5 Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat het CBR in strijd met de rechtszekerheid heeft gehandeld door het verkeersgedrag van 3 mei 2009 op twee verschillende manieren, namelijk spookrijden en niet adequaat kijkgedrag, aan te duiden en zich derhalve de bevoegdheid toe te eigenen dit gedrag via twee wegen, mogelijk leidend tot verschillende maatregelen, aan te pakken. Het komt de voorzieningenrechter voor dat de Regeling hiermee op oneigenlijke wijze wordt opgerekt. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat spookrijden in bijlage 1 bij de Regeling expliciet staat vermeld onder rubriek III Rijgedrag en de wetgever er kennelijk voor heeft gekozen om ingeval van dergelijk verkeersgedrag geen onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen en alleen bij herhaling een EMG. Het zou dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter indruisen tegen de systematiek van de Regeling dat via de weg van inadequaat kijkgedrag voor hetzelfde verkeersgedrag wel een onderzoek naar de rijvaardigheid of een EMG zou kunnen worden opgelegd.

3.6 Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat het CBR niet bevoegd was om [X] een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen. Dit brengt tevens met zich mee dat het CBR, gelet op het bepaalde in artikel 131 van de WVW, niet bevoegd was om over te gaan tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van [X].”

N.B. in de uitspraak staan de oude artikelnummers van de Regeling vermeld

Conclusie

De conclusie is dus dat volgens de rechtbank Leeuwarden een enkele keer spookrijden onvoldoende grond is om een maatregel op te leggen. Het CBR mag de betrokkene in dat geval niet verplichten om een onderzoek naar de rijvaardigheid te ondergaan of een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opleggen. Pas wanneer een bestuurder zich bij herhaling schuldig maakt aan spookrijden, heeft het CBR de mogelijkheid om een EMG op te leggen.

Deel Deze Pagina

Voorbereiden onderzoek naar de rijgeschiktheid (alcohol)

Geplaatst op: 12 August 2025

Wanneer het CBR aan u een onderzoek naar de rijgeschiktheid oplegt, bent u verplicht om deze onderzoeken te ondergaan. Bij weigering wordt het rijbewijs sowieso ongeldig verklaard. U kunt er dus niet onderuit komen.Wat veel mensen echter niet weten is dat u uzelf kunt voorbereiden om deze onderzoeken. Het is belangrijk te weten welke vragen de keurend psychiater zal stellen, waarop de psychiater zal letten tijdens het lichamelijk en medisch onderzoek en naar welke waarden onderzoek wordt gedaan tijdens het laboratoriumonderzoek.

Informatiebrochure

Wij hebben een uitgebreide informatiebrochure opgesteld waarin wij uitvoerig uitleggen wat het onderzoek naar de rijgeschiktheid precies inhoudt. De informatiebrochure bevat veel tips en waarschuwingen voor (strik)vragen. Wij leggen u de strekking en achtergronden bij de belangrijkste vragen uit zodat u begrijpt waarom de vragen worden gesteld. Dit geeft u meer kans om de vorderingsprocedure met goed gevolg te doorlopen en uw rijbewijs te behouden en bespaart u daardoor een hoop kosten en ongemak.

De informatiebrochure is opgesteld door mr. J.J. van ’t Hoff, advocaat bij De Lange c.s. Advocaten, op basis van diens jarenlange ervaring met CBR-procedures. Hij weet als geen ander waar het vaak mis gaat tijdens het onderzoek naar de rijgeschiktheid.

Antwoorden

En dat het nogal eens mis gaat blijkt wel uit de praktijk. Maar liefst in 80% van de gevallen wordt het rijbewijs van de betrokkene ongeldig verklaard vanwege de antwoorden die hij of zij heeft gegeven tijdens het onderzoek naar de rijgeschiktheid. Het onderzoek bevat veel strikvragen waarbij de kans dat u (voor het behoud van uw rijbewijs) verkeerde antwoorden geeft erg groot is. Onderschat het onderzoek van de psychiater dan ook zeker niet, en bereid u goed voor met onze zeer uitgebreide informatiebrochure!

Downloaden

U kunt de informatiebrochure direct downloaden op www.onderzoeknaarderijgeschiktheid.nl. Hier vindt u ook meer informatie over de inhoud en de kosten van de informatiebrochure

Deel Deze Pagina

Voorbereiden onderzoek naar de rijgeschiktheid (drugs)

Geplaatst op: 12 August 2025

Wanneer het CBR aan u een onderzoek naar de rijgeschiktheid oplegt, bent u verplicht om deze onderzoeken te ondergaan. Bij weigering wordt het rijbewijs sowieso ongeldig verklaard. U kunt er dus niet onderuit komen.Wat veel mensen echter niet weten is dat u uzelf kunt voorbereiden om deze onderzoeken. Het is belangrijk te weten welke vragen de keurend psychiater zal stellen, waarop de psychiater zal letten tijdens het lichamelijk en medisch onderzoek en naar welke waarden onderzoek wordt gedaan tijdens het laboratoriumonderzoek.

Informatiebrochure

Wij hebben een uitgebreide informatiebrochure opgesteld waarin wij uitvoerig uitleggen wat het onderzoek naar de rijgeschiktheid precies inhoudt. De informatiebrochure bevat veel tips en waarschuwingen voor (strik)vragen. Wij leggen u de strekking en achtergronden bij de belangrijkste vragen uit zodat u begrijpt waarom de vragen worden gesteld. Dit geeft u meer kans om de vorderingsprocedure met goed gevolg te doorlopen en uw rijbewijs te behouden en bespaart u daardoor een hoop kosten en ongemak.

De informatiebrochure is opgesteld door mr. J.J. van ’t Hoff, advocaat bij De Lange c.s. Advocaten, op basis van diens jarenlange ervaring met CBR-procedures. Hij weet als geen ander waar het vaak mis gaat tijdens het onderzoek naar de rijgeschiktheid.

Antwoorden

En dat het nogal eens mis gaat blijkt wel uit de praktijk. Maar liefst in 80% van de gevallen wordt het rijbewijs van de betrokkene ongeldig verklaard vanwege de antwoorden die hij of zij heeft gegeven tijdens het onderzoek naar de rijgeschiktheid. Het onderzoek bevat veel strikvragen waarbij de kans dat u (voor het behoud van uw rijbewijs) verkeerde antwoorden geeft erg groot is. Onderschat het onderzoek van de psychiater dan ook zeker niet, en bereid u goed voor met onze zeer uitgebreide informatiebrochure!

Downloaden

U kunt de informatiebrochure direct downloaden op www.onderzoeknaarderijgeschiktheid.nl. Hier vindt u ook meer informatie over de inhoud en de kosten van de informatiebrochure

Deel Deze Pagina

Geen abstracte maar concrete schadeberekening in procedure CBR

Geplaatst op: 12 August 2025

Wanneer de geldigheid van het rijbewijs achteraf bezien ten onrechte is geschorst of het rijbewijs ten onrechte ongeldig is verklaard door het CBR, hebt u als belanghebbende recht op schadevergoeding. Het is niet eenvoudig om deze schade aannemelijk te maken. In het verleden heeft iemand al eens geprobeerd om een abstracte vergoeding van € 10,00 per dag te vorderen, zoals dat in het strafrecht ook gebruikelijk is, maar dat verzoek heeft de rechtbank Utrecht afgewezen (LJN BK7656, Rechtbank Utrecht, 5 oktober 2009).

De rechtbank overwoog:

“2.8 Eiser heeft voorts verzocht om schadevergoeding voor de onterechte schorsing van de geldigheid van zijn rijbewijs. Hij heeft een abstracte benadering van schadevergoeding voorgesteld, in die zin dat hij verzoekt om een vaste vergoeding voor elke dag dat hij zijn rijbewijs niet heeft mogen gebruiken. Deze benadering wordt volgens eiser in het strafrecht ook toegepast. In dit verband wijst eiser op de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2003, LJN:AM1504. Een abstracte schadeberekening is volgens eiser ook in deze situatie op zijn plaats. Eiser ziet voorts een parallel tussen het ten onrechte niet kunnen beschikken over zijn rijbewijs en een onterecht opgelegde gevangenisstraf. De inperking van zijn vrijheid door het niet kunnen rijden maakt ook dat een abstracte schadeberekening in de rede ligt. Eiser heeft daarom bewust geen kaartjes van het openbaar vervoer ingeleverd. Een concrete benadering van de schade zou tot de conclusie kunnen leiden dat er in het geheel geen schade is. Eiser heeft echter andere keuzes moeten maken omdat hij niet mocht rijden. De kosten hiervan zijn moeilijk vast te stellen.

2.9 De rechtbank overweegt hierover het volgende. Ingevolge artikel 164, eerste lid, van de WVW is – kort gezegd – de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een daartoe bevoegd persoon, proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens de WVW vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs. De toekenning van schadevergoeding voorhet ten onrechte invorderen van het rijbewijs ingevolge het eerste lid, vindt vervolgens zijn grondslag in artikel 164, negende lid, van de WVW . Hierbij is tevens bepaald dat onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.
Eiser heeft weliswaar betoogd dat het redelijk is een parallel te trekken tussen deze strafrechtelijke invordering van het rijbewijs en de in artikel 131 van de WVW neergelegde bestuursrechtelijke maatregel tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs, maarhij heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank miskend dat de bestuursrechtelijke schorsing, anders dan de strafrechtelijke invordering, geen punitieve sanctie is. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 23 november 2005, LJN:AU6691. Schadevergoeding op grond van artikel 164, negende lid, van de WVW is ingeval van schorsing van de geldigheid van het rijbewijs niet aan de orde.

2.10 Evenmin bestaat naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om, zo in het strafrecht al sprake zou zijn van een standaardvergoeding per dag, deze zonder meer toe te passen in onderhavige situatie. Alhoewel de rechtbank begrip heeft voor de ongemakken die eiser stelt te hebben ondervonden omdat hij ten onrechte enige tijd niet heeft kunnen rijden, is dit niet voldoende om de gebruikelijke wijze waarop in het bestuursrecht een verzoek om schadevergoeding wordt beoordeeld opzij te zetten en aan te sluiten bij andere normen. De door eiser voorgestane parallel tussen strafrecht en bestuursrecht volgt de rechtbank dan ook niet.

2.11 Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Volgens vaste jurisprudentie van de AbRvS, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juli 2003, LJN: AI0288, betekent dit dat eiser gehouden is om direct bij een verzoek om schadevergoeding gegevens en bescheiden te overleggen, waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, die het bestuursorgaan nodig heeft om te kunnen vaststellen of eiser deze schade heeft geleden.

2.12 Eiser heeft de door hem gestelde geleden schade niet met gegevens en bescheiden aannemelijk heeft gemaakt. Ter zitting heeft verweerster toegelicht dat van eiser niet verwacht werd dat hij direct bij zijn verzoek om schadevergoeding een onderbouwing van de schade zou geven in de vorm van bijvoorbeeld kaartjes van het openbaar vervoer, maar dat wel verwacht werd dat hij toch zeker binnen enkele dagen zijn schade op enigerlei wijze concreet zou maken. Dit heeft hij bewust nagelaten, hetgeen heeft geleid tot afwijzing van het verzoek.

2.13 De rechtbank volgt verweerster hierin. Met de enkele stelling dat eiser een abstracte berekening van schade voorstaat, heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende informatieverplichting op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb . Verweerster heeft zich terecht in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser de schade onvoldoende heeft onderbouwd en heeft het verzoek om schadevergoeding terecht op die grond afgewezen.”


De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dienovereenkomstig geoordeeld (LJN: BR1393, Raad van State, 13 juli 2009):

“2.5.1. Voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt, volgens vaste jurisprudentie, aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Ingevolge artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, voor zover thans van belang, heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Hoewel aannemelijk is dat [appellant] als gevolg van de weigering een verklaring van geschiktheid te verstrekken een zekere mate van ongemak heeft moeten ondergaan, heeft hij met zijn betoog niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van dat besluit zodanig heeft geleden, dat sprake is van een aantasting in even bedoelde zin. Meer in het bijzonder is van aantasting van de eer of goede naam in de vorm van aantasting van het gevoel van eigenwaarde, dan wel waardering die men bij anderen geniet, geen sprake. Het besluit van 6 augustus 2007 waaraan de diagnose alcoholmisbruik ten grondslag lag, is geen besluit met een sterk diffamerend karakter. Het CBR heeft ook niet het oogmerk gehad om [appellant] nadeel, niet bestaande in vermogensschade, toe te brengen. Evenmin is sprake van aantasting in de persoon doordat het besluit van 6 augustus 2007 tot ernstige psychische storingen of geestelijk letsel zou hebben geleid. Daartoe is niet voldoende dat sprake is van min of meer psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Alhoewel een onrechtmatige inbreuk op de bewegingsvrijheid onder omstandigheden kan worden aangemerkt als aantasting in de persoon, is daar in het onderhavige geval geen sprake van, in aanmerking genomen dat het niet zelf een auto kunnen besturen, andere mogelijkheden van vervoer onverlet laat.

2.5.2. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat het redelijk is een parallel te trekken tussen de strafrechtelijke invordering van het rijbewijs en de weigering tot registratie van een verklaring van geschiktheid, omdat het resultaat in beide gevallen vergelijkbaar is, namelijk het niet (meer) beschikken over een rijbewijs en daar dus ook een vergelijkbare vergoeding voor immateriële schade tegenover moet staan.

Ingevolge artikel 164, eerste lid, van de WVW is – kort gezegd – de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een daartoe bevoegd persoon proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens de WVW vastgesteld voorschrift, verplicht tot afgifte van het hem afgegeven rijbewijs. De toekenning van schadevergoeding voor het ten onrechte strafrechtelijke invorderen en inhouden van het rijbewijs ingevolge het eerste en vierde lid, vindt vervolgens zijn grondslag in artikel 164, negende lid, van de WVW. De weigering tot registratie van een verklaring van geschiktheid is een bestuursrechtelijke maatregel. Nu een zelfstandige schadevergoedingsbepaling voor het ten onrechte weigeren van een registratie ontbreekt, is er geen aanleiding een forfaitaire vergoeding toe te kennen op grond van artikel 164, negende lid, van de WVW, zoals het Gerechtshof dat heeft gedaan in het arrest van 18 februari 2008.

2.5.3. De slotsom is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het CBR het verzoek om vergoeding van immateriële schade terecht heeft afgewezen.”


Concrete schadeberekening

Uit deze uitspraken volgt dat de schade concreet moet worden berekend en altijd moet worden onderbouwd. Dit is met name erg lastig voor particulieren. Vaak levert het gemis van uw rijbewijs een hoop ellende en frustraties op, maar zelden zult u hierdoor ook aantoonbare schade hebben geleden. De schade moet namelijk volgen uit bewijsstukken, zoals kwitanties e.d. Bovendien rust op u ook de verplichting om schadebeperkend te handelen. Wanneer u iemand anders voor u zou kunnen laten rijden, had u dat moeten doen. Wanneer u de fiets of het openbaar vervoer had kunnen pakken in plaats van de auto, dan wordt dat wel van u verwacht. En bij het openbaar vervoer krijgt u ook niet per definitie uw kosten van de bus of trein vergoed, omdat u ook de benzinekosten uitspaart.

Al bij al weet het CBR vaak wel met argumenten te komen om onder de aansprakelijkheid en de verplichting tot vergoeding van schade uit te geraken. U doet er daarom verstandig aan om eerst uw zaak met een advocaat te bespreken, alvorens u vergoeding van uw schade vordert bij het CBR.

Deel Deze Pagina

De CBR vorderingsprocedure en de Nationale ombudsman

Geplaatst op: 12 August 2025

In deze bijdrage wordt om te beginnen het wettelijk kader van de vorderingsprocedure geschetst. Daarna zullen de (drie) educatieve maatregelen worden behandeld. Vervolgens zal nader worden ingegaan op het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid en op de drie onderzoeken waaruit dit onderzoek bestaat: het onderzoek alcohol en/of drugs, het medisch onderzoek en het onderzoek naar de rijvaardigheid. Tevens zal in verband met dit laatste onderzoek aandacht worden besteed aan de aparte positie van de beginnende bestuurder. Vervolgens zullen enige uitspraken van de Nationale ombudsman (No) over deze onderzoeken de revue passeren. Het geheel zal worden afgesloten met een aantal samenvattende en beschouwende opmerkingen.

Artikel “De vorderingsprocedure en de Nationale Ombudsman”

Deel Deze Pagina

Gederfde inkomsten (inkomens- en pre-pensioen)

Geplaatst op: 12 August 2025

Wanneer u als gevolg van een besluit van het CBR uw rijbewijs voor enige tijd hebt moeten missen, en het door u tegen dat besluit ingestelde bezwaar of beroep gegrond is verklaard, kunt u aanspraak maken op schadevergoeding vanwege het niet kunnen beschikken over het rijbewijs. Als schade komt bijvoorbeeld de gederfde inkomsten in aanmerking.

Het is evenwel van belang dat de inkomstenderving rechtstreeks voortvloeit uit het onjuiste besluit van het CBR en dat u uw schade aan de hand van bewijsstukken kunt aantonen. De schade moet concreet worden gemaakt.

Als we kijken naar de jurisprudentie over dit soort schadevorderingen, kunnen we constateren dat het vaak mis gaat bij de onderbouwing van de schadevordering.

Taxichauffeur

Als voorbeeld van een uitspraak waarbij de gederfde inkomsten niet (goed) zijn onderbouwd, verwijs ik u naar de uitspraak van de Raad van State van 9 juni 2010 (LJN: BM7113). Een taxichauffeur vorderde vergoeding van gemiste inkomsten, maar overlegde geen belastingaangifte of -aanslag van het jaar waarop de vordering betrekking had. Die informatie is namelijk van belang om vast te stellen dat de betrokkene in dat jaar geen andere inkomsten heeft gehad. Omdat deze belastinggegevens ontbraken, is de vordering uiteindelijk afgewezen. De afdeling overwoog:

“2.3.1. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het aan [appellant] is de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk te maken. Gelet hierop diende [appellant] ter staving van de door hem gestelde ten gevolge van het besluit van het CBR geleden inkomensschade die gegevens en bescheiden over te leggen die het CBR nodig had om te kunnen vaststellen of [appellant] de door hem gestelde schade heeft geleden. Het CBR mocht van [appellant] verlangen dat hij aannemelijk maakte dat hij in de desbetreffende periode geen vervangende inkomsten heeft genoten.
[appellant] heeft, ook nadat het CBR zich op het standpunt had gesteld dat hij met bijvoorbeeld een belastingaangifte over het jaar 2006 aannemelijk zou kunnen maken dat hij geen vervangende inkomsten heeft genoten, geen belastingaangifte of ander stuk waarmee zijn standpunt objectief gezien werd gestaafd overgelegd. Dat zijn belastingaangifte over 2006 zoek is geraakt komt voor zijn rekening. Het betoog van [appellant] dat aan een belastingaangifte geen bewijskracht toekomt en dat hij alleen met een definitieve belastingaanslag aannemelijk had kunnen maken dat hij geen vervangende inkomsten heeft genoten en het CBR daarom niet heeft verzocht, kan [appellant] niet baten. Dat het CBR genoegen nam met een belastingaangifte over 2006 legde niet een zwaardere bewijslast op [appellant] en stond geenszins in de weg aan het uit eigen beweging overleggen van een ander stuk, zoals een voorlopige of definitieve belastingaanslag.
[appellant] heeft eerst in hoger beroep een belastingaangifte over 2006 overgelegd. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dat stuk niet eerder heeft kunnen overleggen. Het kan daarom thans niet meer worden betrokken bij de beoordeling van het hoger beroep. Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen vervangende inkomsten heeft genoten, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het CBR het verzoek om schadevergoeding heeft kunnen afwijzen.”

Vrachtwagenchauffeur

Waar het ook altijd mis gaat, is het causaal verband. Er moet een rechtstreeks verband bestaan tussen het onterechte besluit van het CBR en de oorzaak waardoor schade wordt geleden. In een uitspraak bij de rechtbank ‘s-Hertogenbosch (LJN: BA5104, 27 april 2007) claimde een vrachtwagenchauffeur dat hij was ontslagen door de beslissing van het CBR. Hij vorderde een bedrag van € 69.938,00 aan inkomensschade en en een bedrag van € 74.548,00 aan (pre)pensioenschade. Ter onderbouwing van de gevorderde schade heeft eiser berekeningen overgelegd van Raadgevend Actuarieel Bureau De Voogd Van der Heide. De rechtbank wees de vordering af, mede omdat het contract pas 4 maanden na het genomen besluit eindigde. De rechtbank overwoog:

“Vastgesteld wordt dat tussen het aflopen van het contract op 13 mei 2002 en de besluiten van 16 september 2002 een periode van ruim vier maanden ligt. Reeds om die reden acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [werkgever] naar aanleiding van deze besluiten het contract niet heeft verlengd. Bovendien blijkt uit de Eigen verklaring van eiser van 23 mei 2002 dat de bedrijfsarts op dat moment al had aangegeven dat eiser als gevolg van zijn medicijngebruik geen vrachtwagen mocht besturen. Eiser heeft ter zitting in gelijke zin verklaard.
Ter zitting heeft eiser in dit kader nog aangevoerd dat hij van zijn bedrijfsarts als vrachtwagenchauffeur mocht rijden indien het CBR dat zou goedkeuren. Aangezien de besluiten echter betrekking hebben op de (volgens verweerder aanwezige) bewustzijnstoornissen en niet op het medicijngebruik van eiser waarover de bedrijfsarts zich had uitgelaten, acht de rechtbank deze stelling van eiser evenmin aannemelijk. Ook overigens heeft eiser zijn stelling niet nader onderbouwd.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat de verklaring van [werkgever] van 13 oktober 2003 slechts aangeeft dat eiser nog in dienst zou zijn als zijn rijbevoegdheid niet was ingetrokken. Hieruit is niet op te maken of [werkgever] het arbeidscontract niet heeft verlengd vanwege de besluiten van verweerder dan wel om andere redenen.
Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit de besluiten van verweerder.”

De vrachtwagenchauffeur had dit verband echter eenvoudig kunnen aantonen door een verklaring van zijn ex-werkgever te overleggen waaruit moest volgen dat het genomen besluit wel de reden was voor de beeindiging. Dit is dus een gemiste kans geweest voor de vrachtwagenchauffeur.

Deel Deze Pagina

Redelijke termijn vorderingsprocedure CBR

Geplaatst op: 12 August 2025

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134).

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1, is in zaken zoals deze, die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Afdeling voorts in die uitspraak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de in 2.4.1. vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze termijnen gerechtvaardigd te achten.
Vlg LJN: BR6337, Raad van State, 31 augustus 2011

Deel Deze Pagina

Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden
Rijbewijs Ongeldig Verklaard
Privacy Overview

This website uses cookies so that we can provide you with the best user experience possible. Cookie information is stored in your browser and performs functions such as recognising you when you return to our website and helping our team to understand which sections of the website you find most interesting and useful.